Wanneer men door de bomen het bos niet meer ziet: een overzicht van de belangrijkste vernieuwingen inzake burenhinder door nabij gelegen bomen

10 juli 2020 | Louise Versin

Een boom afgezaagd in het bos

Op 30 januari 2020 heeft de Kamer van Volksvertegenwoordigers een wetsvoorstel goedgekeurd dat het goederenrecht zal hervormen. Hierbij krijgt ook de regeling omtrent burenhinder door nabij gelegen bomen een nodige facelift. Maar wat verandert er nu concreet?

Het “oude” systeem: 3 afzonderlijke regimes

Wanneer de boom van de buren voor overmatige hinder of zelfs schade zorgt, kan men zich in het huidige systeem beroepen op verschillende rechtsgronden.

1. Het Veldwetboek

Het Veldwetboek bepaalt dat bomen die in een gemene haag staan, gemeen zijn, alsook de bomen op de scheidingslijn van beide erven, tenzij het tegendeel blijkt uit een titel of een voldoende bezit.

Indien de bomen niet gemeenschappelijk geacht kunnen worden, stelt artikel 35 van het Veldwetboek het volgende:

“Hoogstammige bomen mogen slechts op een door vast en erkend gebruik bepaalde afstand geplant worden; bij ontstentenis van zodanig gebruik mogen hoogstammige bomen slechts op twee meter, andere bomen en levende hagen slechts op een halve meter, van de scheidingslijn tussen twee erven worden geplant.

Fruitbomen van welke soort ook mogen als leibomen, aan elke kant van de muur tussen twee erven, geplant worden zonder dat een afstand in acht wordt genomen.

Is die muur niet gemeen, dan heeft alleen de eigenaar het recht hem als steun voor zijn leibomen te gebruiken.”

Het Veldwetboek kent daarnaast 3 mogelijke sancties:

1. Het rooien van beplantingen op onwettige afstand;
2. Het doorhakken van doorschietende wortels;
3. Het vorderen van verwijdering van overhangende takken.

Wanneer de takken van een naburige boom overhangen, dient de buur die hiervan hinder ondervindt zijn buur eerst aan te manen om de takken zelf te verwijderen vooraleer hij zich tot de rechtbank wendt om hem hiertoe te dwingen. Hierbij is het irrelevant op welke afstand de boom zich bevindt. Daarnaast kan ook het rooien van beplantingen op onwettige afstand geëist worden voor de rechtbank. Bij het doorhakken van doorschietende wortels mag de buur deze wortels daarentegen op eigen houtje doorhakken.

De artikelen uit het Veldwetboek kunnen enkel ingeroepen worden door personen die een zakelijk recht kunnen laten gelden op de eigendom waar de overlast zich voordoet. Huurders zullen zich dan ook niet op deze regels kunnen beroepen.

2. Artikel 1382 BW

Wanneer een naburige boom schade veroorzaakt, zal de eigenaar van de boom deze schade moeten vergoeden, ongeacht op welke afstand de boom in kwestie staat. Indien de schadelijdende buur zich wenst te beroepen op artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, zal hij de fout, de schade en het oorzakelijk verband dienen aan te tonen.

Zo kan de fout er bijvoorbeeld in bestaan de door het Veldwetboek voorgeschreven afstanden en/of regels inzake doorschietende wortels en overhangende takken te miskennen. De schadelijdende buur kan zijn schadevergoedingsvordering steeds combineren met een vordering op basis van het Veldwetboek.

3. Artikel 544 BW en de evenwichtsleer

Artikel 544 BW luidt als volgt:

“Eigendom is het recht om op de meest volstrekte wijze van een zaak het genot te hebben en daarover te beschikken, mits men er geen gebruik van maakt dat strijdig is met de wetten of met de verordeningen.”

De leer omtrent burenhinder werd door het Hof van Cassatie grotendeels uitgewerkt in twee principearresten, namelijk het kanaalarrest en het schoorsteenarrest. Wie zich wenst te beroepen op artikel 544 BW zal overeenkomstig de rechtspraak van het Hof van Cassatie moeten nagaan of voldaan is aan de volgende voorwaarden:

1) Er is sprake van hinder die de gewone hinder uit nabuurschap te boven gaat;
2) De hoedanigheid van nabuur is vereist;
3) De burenhinder moet het gevolg zijn van een daad, een gedraging of een verzuim;
4) De burenhinder moet toerekenbaar zijn.

De vordering op basis van artikel 544 BW betreft een foutloze aansprakelijkheid, waardoor enkel de toerekenbaarheid van de hinder bewezen zal moeten worden. Een vordering wegens burenhinder kan worden ingesteld tegen of door eenieder die titularis is van een attribuut van een eigendomsrecht. Dit begrip wordt bijzonder ruim opgevat, en omvat dus ook huurders.

Voor de invulling van het begrip overmatige hinder uit nabuurschap heeft de rechtspraak en rechtsleer de evenwichtsleer ontwikkeld. Zo is er sprake van burenhinder wanneer het evenwicht tussen de twee erven verbroken wordt. De grens van de normale ongemakken uit het nabuurschap moet hierbij overschreden zijn.

Daarnaast benadrukte het Hof van Cassatie meermaals dat de beoordeling van burenhinder een feitenkwestie is. De rechter zal de grens tussen de normale ongemakken van nabuurschap en de abnormale ongemakken uit nabuurschap dan ook steeds moeten bekijken in het licht van de noden van de samenleving. Hierbij worden vaak de volgende factoren weerhouden:

– Het tijdstip;
– De plaats;
– De eerste ingebruikname.

Wanneer de vordering toegekend wordt, zal de gehinderde buur gecompenseerd worden voor zijn ongemak.

Het “nieuwe” systeem: Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek

Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek voorziet vooreerst in een preventief systeem. Artikel 3.102 bepaalt met name dat, wanneer een onroerend goed ernstige en manifeste risico’s inzake veiligheid, gezondheid of vervuiling veroorzaakt ten aanzien van een naburig onroerend goed waardoor het evenwicht tussen de onroerende goederen wordt verbroken, preventieve maatregelen zullen kunnen worden opgelegd om te verhinderen dat het risico zich realiseert. Zo zal de eigenaar van een naburig onroerend goed niet moeten wachten tot de overgewaaide dennenappels van de naburige dennenboom schade aanrichten aan zijn auto vooraleer hij een vordering kan instellen.

Daarnaast stelt artikel 3.101 § 1 BW het volgende:
“Naburige eigenaars hebben elk een recht op het gebruik en genot van hun onroerend goed. Bij de uitoefening van hun gebruik en genot eerbiedigen ze het geschapen evenwicht door geen hinder op te leggen aan de nabuur die de normale ongemakken uit de nabuurschap overtreft en hem toerekenbaar is.

Om de bovenmatigheid van de hinder te beoordelen, dient men rekening te houden met alle omstandigheden van het geval, zoals het tijdstip, de frequentie en de intensiteit van de hinder, de eerstingebruikneming of de publieke bestemming van het onroerend goed van waaruit de hinder wordt veroorzaakt.”

Degene die het vermelde evenwicht schendt, is gehouden dit te herstellen. De rechter beschikt hierbij over enkele maatregelen die passend zijn om het evenwicht te herstellen, waaronder:

– Een vergoeding in geld;
– Een vergoeding van de kosten verbonden aan de opgelegde compenserende maatregelen;
– Een bevel om de evenwichtsverstorende handelingen te staken;
– Een bevel om hinderverminderende maatregelen te nemen.

Voor wat de takken en wortels van naburige aanplantingen betreft, voorziet artikel 3.134 BW dat de buur de takken of wortels die over de grens van de percelen groeien, op eigen houtje en op kosten van de eigenaar van de beplantingen zal mogen wegsnijden, wanneer de takken of wortels door de eigenaar van de beplantingen niet weggehaald werden binnen de 60 dagen na een aangetekende ingebrekestelling.

Wanneer de nabuur de doorschietende takken of wortels zelf wegsnijdt, draagt hij zelf het risico voor de schade die hij aan de beplantingen toebrengt. Hij kan eveneens eisen dat de eigenaar dit wegsnijdt, tenzij de rechter van oordeel is dat zulks rechtsmisbruik uitmaakt. De rechter houdt bij dat oordeel rekening met alle omstandigheden van het geval, met inbegrip van het algemeen belang.
Het recht om de verwijdering te eisen, kan, zoals in het vroegere Veldwetboek, niet uitdoven door verjaring.

Wat zijn de grootste vernieuwingen?

Het nieuwe systeem bestaat voornamelijk uit een codificatie van de in de rechtspraak ontwikkelde praktijk. Door de evenwichtsleer uitdrukkelijk in de wet te verankeren, wilde de wetgever niet alleen de vordering op basis van burenhinder vergemakkelijken maar ook meer rechtszekerheid scheppen tussen buren.

De invoering van een preventief systeem kan hierbij aanschouwd worden als de grootste vernieuwing. De wetgever heeft bij het invoeren van dit systeem de mogelijkheid gecreëerd om preventief te kunnen ingrijpen, zodat het geschil niet nodeloos zou escaleren en de burenrelaties zo goed mogelijk behouden kunnen worden.

Aangezien er tot op heden onduidelijkheid bestond over het onderscheid tussen hoog- of laagstammige bomen, zal dit onderscheid verdwijnen. Voortaan zullen bomen die tenminste twee meter hoog zijn minstens twee meter van de perceelsgrens moeten staan. Andere bomen, hagen en struiken mogen geplant worden op een halve meter van de perceelsgrens. Van deze afstanden kan enkel afgeweken worden indien de beplantingen al meer dan dertig jaar op dezelfde plaats staan of met een schriftelijk akkoord tussen buren.

Inwerkingtreding

De nieuwe bepalingen zullen in werking treden op de eerste dag van de achttiende maand die volgt op publicatie in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd, zijnde 1 september 2021. Nog eventjes geduld dus.


Louise Versin

Lid van de sectie vastgoed

Raad en daad

Vragen over uw eigen situatie?

Indien u omtrent uw eigen situatie vragen heeft, aarzel dan niet om ons kantoor te contacteren zodat wij u met raad en daad kunnen bijstaan.

Neem contact op